Homogene badslippers
We werden wakker. "Zal ik thee zetten," zei ik. Ze keek naar me, duidelijk
verontwaardigt. "Nee! Ik ga de lakens niet verschonen" zei ze.
"Maar daar vroeg ik toch ook helemaal niet om!" merkte ik op.
"Wat ben je soms toch koppig!" zei ze.
"Wil je me nu loslaten!" riep ik omdat ze keihard in mijn enkel aan het
knijpen was.
"Dit is ontwijkgedrag" zei ze, "ga eerst maar de lakens verschonen."
Ik stapte chagrijnig uit bed en haalde het tweede paar lakens uit de kast.
"Als je wilt dat ik de lakens verschoon moet je eerst het bed uit gaan"
deelde ik haar mee. "Nee, ik wil dat je de lakens nu verschoont!"
"Nu?" vroeg ik.
"Ja nu, ik kijk vanuit hier toe"
"Maar hoe kan dat nou? Waar ben je in godsnaam mee bezig?"
Ze zei niks meer, ze bleef op bed liggen en begon te grijnzen.
Weer zo'n situatie waar alleen ik in verzeild kan raken.
Ik keek rond in de kamer op zoek naar oplossingen voor mijn lakenprobleem.
Het viel me ineens op dat de prullenbak niet op de normale plek stond. Ik
liep ernaar toe en opende de deksel. Ik voelde haar grijns nog steeds in
mijn rug. Een laag geluid emineerde uit de vuilniszak. Ik boog mij voorover
om te kijken waar dat geluid vandaan kwam. Toen ik de prullenbak ingezogen
werd dacht ik aan een klein mannetje met vleugeltjes in plaats van tenen.
Raar toch hoe je op dat soort momenten van die absurde gedachten ontwikkelt.
Ik besloot mijn adem in te houden want ik verwachte niet veel goeds van mijn
prullenbak, zeker niet sinds gisteravond. Aangezien ik niet een Filippijnse
duiker ben hield ik het slechts 40 seconden vol. Ik begon naar lucht te
happen en het viel me op dat het niet eens zo onprettig was. "Hmmm, dan had
ze dus toch gelijk," mompelde ik. Ik keek naar boven en concludeerde dat er
twee opties waren. Of ik was gekrompen, of mijn prullenbak was gegroeid. Ik
schatte de afstand naar de rand op zo'n 300 meter. Ik keek om me heen. Ik
had moeite mijn balans te houden, ik stond op een leeg zakje waar watjes
ingezeten hadden.
Het plastic begon te smelten.
Ik sprong van het plastic af een draad gesmolten plastic bleef aan mijn
schoenen plakken. Toen ik neer kwam raakte ik mijn linkerarm iets scherps.
Het zal wel blik geweest zijn. Er zat nu een grote snee in mijn onderarm,
net onder mijn elleboog. Het vreemde was dat het niet bloedde. Uit
nieuwsgierigheid ging ik aan de wond voelen. Het voelde alsof mijn vel los
kwam. Ik trok mijn vel langzaam naar voren richting mijn hand. Het voelde
prettig aan. Ik trok het nog meer naar voren. In één snelle beweging trok ik
mijn vel eraf. Mijn hele hand was meegekomen. Ik had nu het vel van mijn
linkerarm inclusief de hele hand in mijn rechterhand. Nu zag ik waarom mijn
linkerarm niet bloedde, onder mijn vel zat iets wat mij nog het meest deed
denken aan een grote kurkentrekker.
"Hallo daar" hoorde ik iemand roepen. Ik keek naar boven, daar zag ik
niemand. "Hallo daar" galmde het weer door de hele prullenbak. Ik zag een
licht, ver van mij verwijderd aan de andere kant van de prullenbak. Ik
besloot er heen te lopen. Onderweg liet ik mijn oude vel vallen. Links en
rechts van mij smeulde er plastic. Het licht bleek uit een oud melkpak te
komen. Er was een deurtje in gebouwd. Een klein harig mannetje stond bij de
deur. "Hallo daar", zei het mannetje. "Hallo", groette ik terug, "wat ben ik
blij iemand anders hier te zien." "Hallo daar" zei het mannetje weer. "Kunt
u me vertellen wat hier allemaal gebeurt" vroeg ik. "Hallo daar" zei het
mannetje weer. Hij gebaarde naar de deur. Ik opende de deur en stapte naar
binnen, toen ik de deur dicht trok zei het mannetje: "Hallo daar."
Ik was aanbeland in een gang. Het was een veel grotere ruimte dan ik geschat
had toen ik nog buiten het pak stond. Het zag er eigenlijk ook helemaal niet
uit als de binnenkant van een melkpak. Rechts in de gang zaten wat mensen op
een rij. Het dichtst bij de ingang zat een roodharige vrouw met een heel
klein hondje op haar schoot. Naast haar zat een jongen met 1 oog, uit de
plek waar zijn 2e oog hoorde te zitten scheen een vreemd oranje licht. Op
een bankje zat een meisje van in de 20 met een boek in haar handen, ze
staarde voor zich uit. Aan het eind van de gang, dichtbij een deur stond een
naakte man zachtjes in zichzelf te praten. De deur werd geopend, een oudere
vrouw stak haar hoofd om de deur.
"Ah, jij bent vast Ruud," zei ze.
"Neem plaats, we komen zo bij je" zei ze toen ze de deur al weer sloot.
Er was nog een plaatsje vrij op het bankje van het meisje, dus ik besloot
daar te gaan zitten. "Hoe ben jij hier beland?" vroeg ik het meisje. Ze
bleef voor zich uit staren. Van dichtbij viel me op hoe krampachtig zij het
boek vasthield. Uit het boek kwam een klonterige rode substantie. Het enige
wat het meisje deed was van tijd tot tijd met haar vingers wat van de
substantie naar haar mond te brengen en op te eten. Opeens begon het hondje
hard te blaffen. De naakte man zei hardop:
"Laat dat ding zijn bek houden!"
Nu begon de roodharige vrouw ook te blaffen. De man werd zichtbaar boos en
stapte naar de vrouw toe. Maar voor hij bij de vrouw was stapte de jongen
van zijn stoel en keek de man recht in de ogen aan. Spontaan barstte de man
in snikken uit. Het jongetje bleef hem aankijken, en de hond en de vrouw
bleven blaffen. Het geluid van het blaffen en huilen deed pijn aan mijn
oren.
"Stop!" schreeuwde ik. Op het meisje na draaide iedereen zich nu naar mij.
"Wat is er met je arm" vroeg de man.
"Ik weet het niet" zei ik.
"Dat is niet normaal" zei de vrouw. De deur aan het eind van de gang ging
weer open.
"Ruud, je kunt nu naar binnen komen," zei de oudere vrouw. Terwijl ik
opstond greep het meisje mijn arm en drukte het boek in mijn hand.
"Tot straks" zei ze.
Ik stapte in een grote ruimte, met voor mij een tafel waar 3 mannen in
grijze pakken aan zaten. De oudere vrouw bleef naast me staan. "Dit is Ruud"
zei ze tegen de mannen. De mannen begonnen met elkaar te overleggen, na een
tijdje richtte de middelste zich tot mij: "Heb je er al over nagedacht?"
"Waarover nagedacht?" vroeg ik.
"Of je van mij houd?" zei de linker man.
"Of ik van je houd? Maar ik ken je helemaal niet!" zei ik verbaasd.
"Doe nou niet alsof je me niet kent, Ruud" zei de man die rechts zat. Ik
wist niks te zeggen, mijn oog viel op de vrouw, zij had haar ogen gesloten
en leek te bidden. De middelste man stond op en gebaarde mij om met hem mee
te lopen. Dat deed ik. Uit de rechtermuur stak het bovenste gedeelte van een
grote ongeopende fles.
"Steek je linkerarm uit." Hij pakte het puntje van mijn arm en stak het in
de kurk.
"Misschien helpt het als we weer een fles openen." zei hij. Mijn onderarm
begon te draaien, mijn arm boorde zich in de kurk.
"Nee!" riepen de twee mannen die nog aan tafel zaten opeens.
"Wat is er?" vroeg de man die bij me stond.
"Kijk naar zijn hand!"
"Die zit nu in de kurk, net zoals de vorige keer".
"Nee zijn andere hand, dat boek!"
Nu schrok de man en hij deed een paar stappen naar achteren.
"Waarom heb je dat boek, Ruud? Hoe kom je daar aan?"
De man bleef op hysterische toon door praten maar ik lette daar niet meer
op, ik was in paniek geraakt omdat ik met mijn hand in een grote kurk
vastzat. Ik wou niks liever dan weg gaan. Ik begon aan mij arm te trekken.
"Stop!" zeiden de drie mannen in koor. "Haal de kurk er niet uit! Niet nu!
Niet nu je dat boek hebt!" Het was al te laat, de kurk kwam soepel uit de
fles.
Uit de fles sijpelde nu, opvallend langzaam, een roze vloeistof. "Wat heb je
gedaan!" zei de man die steeds meer stappen naar achter nam. Hij was
schijnbaar bang voor de roze vloeistof. Ook de andere twee mannen stonden nu
op. De drie mannen gingen weer in een rijtje staan. "Waarom doe je niet meer
mee?" zei de linker.
"Waarom moet het zo eindigen?" zei de rechter.
"Denk je dat je het alleen gaat redden?" zei de middelste. "Je hebt het mis,
Ruud! Stop die kurk snel terug in de fles!"
Langzaam verspreidde de vloeistof zich over de hele kamer. De mannen deden
steeds een stap achteruit als het water hen dreigde te bereiken. De vrouw
daarentegen was dichterbij me gaan staan en in de vloeistof gaan zitten. Ze
bleef bidden.
"Waarom zou ik de kurk nu weer in de fles doen?" vroeg ik en ik keek de
middelste man aan. "Waar zijn jullie zo bang voor?"
"Word wakker, Ruud," zei hij "je hebt geen enkele kans als je die kurk niet
terug in de fles stopt." Hij leek niet zo zelfverzekerd toen hij dit zei. Ik
keek naar mijn arm, de kurk was vastgegroeid aan mijn elleboog. Ik zag geen
spoor meer van de kurketrekker. Het zag er eigenlijk een stuk beter uit zo,
minder vervaarlijk. Ik besefte me opeens dat ik voor eeuwig aan de fles vast
zou zitten als ik de kurk er nu weer in zou doen.
"Ik ga mijn arm niet meer in die fles steken," zei ik uiteindelijk.
De mannen stonden nu in het enige hoekje van de kamer wat nog droog was. De
middelste greep de handen van de linker en de rechter stevig vast. De linker
begon hard te huilen. De rechter reageerde hierop door te zeggen dat hij
zijn kop moest houden. Daarna zette hij een stap in de vloeistof en bleef
daar triomfantelijk staan. "Kom, het zal wel meevallen" zei hij tegen de
andere twee. De huilende man keek heel angstig en stapte nog verder in de
hoek. De middelste man bleef de handen vasthouden maar zei verder niks meer.
De linker en de rechter probeerden allebei de anderen naar zich toe te
trekken. De vloeistof bereikte nu ook de middelste man. De linker man liet
hem los en zakte ineen.
"Open het boek nu maar" zei de vrouw, ze was gestopt met bidden.
Ik legde de linkerhelft op de kurk en opende het boek. Uit het boek sijpelde
nu heel snel de rode substantie die ik eerder al gezien had. Toen het de
vloeistof op de grond raakte verspreidde het zich in een seconde over de
hele kamer.
Een schreeuw.
Ik keek naar de hoek waar de drie mannen zich bevonden maar ik zag niemand
meer.
"Hoe?" stamelde ik.
"Dat maakt nu niet meer uit, Ruud" zei de vrouw.
Die woorden kalmeerden mij, al wist ik niet waarom.
"Wat moet ik nu doen?" vroeg ik aan haar.
"Dat weet ik niet," zei ze. "Dat weet niemand."
Ik loop naar de deur en zeg de vrouw gedag, als ik de deur open schijnt de
zon in mijn gezicht.
"Hallo daar!"
"Hallo!"
"Wat is er met je gebeurd, je ziet zo bleek?"
EINDE