Alleen of alleen
Hij word wakker van de dauw, de stilte en de geur van brand.
Om hem heen is het landschap vlak en verdort.
Zijn botten doen pijn en zijn hoofd is kaal.
Opstaan gaat, maar lopen nauwelijks.
De wereld lijkt vergaan, overal rook en doodse stilte.
Wennen is het wel, maar na een paar stappen stroomde het geluk de pijn
binnen.
Hij is alleen.
Langzaam begint hij te zingen, woorden die niet bestaan.
Hij heeft toch niemand meer om mee te praten.
Alleen.
Schreeuwen doet hij nu, dansen en rennen.
Eindeloos lijkt het, er is geen tijd meer.
Hoofdpijn.
Plots veranderd de stof onder zijn voeten.
De auto kan nog maar net uitwijken, deze rijd maar 40km/h.
Hij schrikt, misselijk.
Een oud echtpaar fietst hoofdschuddend voorbij.
Hij buigt en moet braken, restant van de drank.
Zondag ochtend is het, beseft hij nu.
Kerkklokken.
Hij grijpt in zijn jas, hier zit een groot brandgat in.
De drank smaakt niet, maar voelt.
Langzaam word hij weer geen, geluk.
Want een zwerver is altijd alleen.
Arrogante jeugd
“hallo twiet” met een schok keek hij om, daar was ze weer.
“het vrouwtje heeft lekker eten voor jouw” klonk de oude stem.
Ga toch weg ,dacht hij of beter nog laat me vrij, ja vrij dat is wat hij
wouw.
Vanaf dat moment liet deze gedachte hem niet meer los, het was het enige
waar hij nog aan dacht, ”vrij. vrij”. Behalve dan de ergernissen die hij van
de oude vrouw ondervond.
Maar van al dat denken kreeg hij honger dus at hij elke dag al zijn eten op
om vervolgens weer verder te dromen.
Die ochtend wist de vrouw het, vandaag was haar dag.
Heel voorzichtig stapte ze uit bed en schuifelde door het huis naar de kooi.
“geen eten vandaag” dacht hij, “geen stomme gesprekjes” voorzichtig,
trillend tilde ze de kooi op en schuifelde naar de achterdeur, opende deze
en zette de kooi op de grond.
Het was een stralende dag.
Ze knielde bij de kooi, “dag lieve, trouwe twiet” zei ze en opende het
deurtje van de kooi.
“VRIJ” dacht hij en vloog naar buiten, hoger en hoger vloog hij.
De stralende zon deed zijn veren glanzen.
Uiteindelijk was hij zo hoog dat hij nauwelijks nog kon zien dat de oude
vrouw achter hem in elkaar was gezakt.
Hij vloog over velden en over steden, vrij was alles wat hij verwacht had.
Hij vloog zo wild en zo ver dat hij zijn honger niet eens bemerkte. Totdat
hij van pure uitputting neerstortte in een goud glanzend koren veld.
Zuchtend en steunen dacht hij na, “honger, honger waar vind ik eten”, om
uiteindelijk van vermoeidheid in slaap te vallen.
De volgende ochtend wist hij het, vandaag was de dag. De regen had hem
onderkoeld en zijn lichaam deed pijn.
Nog even probeerde hij overeind te komen maar dit lukte niet meer.
Daar stierf hij alleen en doorweekte, midden tussen het koren dat iedereen
eet.
Vrij.
Boze Boer
Scheldend komt hij uit de trein,
met een fliere boog land zijn brandende peuk in de goot,
waar hij samen met mac donalds bekers de put verstopt.
Hij pakt zijn telefoon,
Speed dial,
vrouwe stem,
half uur te laat,
gescheld.
Hij steekt weer een peuk op,
hij rent door het rode stoplicht,
net op tijd om zijn middelvinger op te steken naar de auto die nog net met
piepende banden kan remmen.
Langzaam begint het te regenen,
gescheld.
In de bewaakte fietsenstalling is het erg rustig,
daarom is zijn fiets ook gestolen,
het was een mooi slot.
Hij sloft weer naar buiten,
nog een peuk,
telefoon,
vrouwen stem,
nog een half uur later,
gescheld.
Hij loopt door de plassen die zich in het zand van de open gebroken weg
hebben gevormd.
Een jongen gooit stenen naar een politie auto,
in de verte een vrouwen gil,
nog een peuk,
het is rustig in de stad vannacht.
In gedachten verzonken loopt hij verder,
door de
MP3 speler hoort hij de voetstappen achter zich niet,
plotseling voelt hij een felle steek in zijn zij,
gescheld.
Zijn jas word uitgerukt,
zijn oordopjes vallen uit,
hij valt op de grond,
hoort de voetstappen wegrennen.
De wet
Het maakt niet uit welk stuk je uitzoekt om jezelf voor te stellen, alles is
relatief je bestaat toch niet.
Sukkel?
Lege schoen
Zoals elke ochtend, als hij wakker werd(soms deed hij dit s’middags pas) zat
het kleine steentje ook deze ochtend in zijn schoen.
Na een korte schrik, het was nog vroeg, volgde een vertrouwde irritatie die
hem door de dag heen gezelschap hield en vooral op verveelde momenten
uitkomst bood.
Dan rolde hij het scherpe steentje van teen naar teen totdat deze pijn
deden, of er zich ergens wat anders voor deed.
Velen vertelde hij over de ergernissen die het steentje veroorzaakte en de
sokken die hij erdoor versleet.
Steeds langer en vaker speelde hij met het steentje, dit kon door de dikke
laag eelt die zich op zijn tenen had gevormd. Soms maakte hij er zelfs tijd
voor.
Toch bleef er de ergernis die hem soms deed schelden. Dan schopte hij vaak
tegen de muur zodat de pijn hiervan het gevoel verdreef.
Na een lange tijd kwam er een rare dag waar hij de oorzaak zo niet van kon
ontdekken. Het was pas laat s’avonds dat hij uit zijn gedachten schrok door
een gevoel van leegte bij zijn tenen.
Na verder onderzoek ontdekte hij een gaatje onderin zijn zool.
Paniek maakte zich van hem meester, ”met deze vrede kon hij niet leven”.
Snel werden er nieuwe schoenen gekocht en steentjes verzameld.
Weken zelfs maanden gingen voorbij dat hij probeerde dezelfde irritatie te
vinden.
Maar de steentjes waren te groot of juist niet scherp genoeg.
Het was weer op een ochtend dat hij besefte dat de irritatie van het missen
van het steentje en de zoektocht er naar, precies opwoog tegen het
daadwerkelijk aanwezig zijn van het steentje.
Het was deze zelfde ochtend dat hij besloot te wachten, te wachten op de
ochtend dat zich er weer een steentje in zijn schoen bevond.
Liefde
Hij voelde een helse brandende pijn toen de ader in zijn hart knapte,
zijn gedachten werden zwart,
en de dood kleefde aan zijn handen.
Van de straten glinsterde het licht van gouden lantarenpalen,
de kinderkopjes waren die nacht erg nat geregend.
Hij begon te rennen,
viel,
even lag hij daar vredig terwijl het bloed uit zijn mondhoek liep.
Maar al snel werd hij opgeschrikt door een tekort aan adem.
Hij kroop op handen en knieën en begon te hoesten,
zijn nek verkrampte en voor zijn ogen werd het zwart.
Een witte lijn zag hij nu,
nog een,
razende snel liepen de lijnen,
vormde een stad waarover hij zweefde,
nu een brug,
een toren.
De lijnen waren bijna niet meer te volgen.
Ze liepen nu samen,
een zwaard zag hij nu,
met een flits ramde de punt ervan zich in zijn hart.
Krijsende opende hij zijn ogen,
hij zag de gouden lantarens weer staan,
hij voelde de regen op zijn voorhoofd,
er was geen bloed,
het ijlen was over,
alles in zijn lichaam wist het.
Ze is weg.
Onmacht
Een kleine kringel onstaat als het blad het wateroppervlakte raakt,
even breekt zijn gezicht,
om later weer een helder spiegelbeeld te worden.
Hij kijkt, hij ook,
naar de bodem, naar de lucht.
Ze kijken elkaar aan helder en vertrouwd, moment van stilte,
4 ogen, gesprek van 20 jaar.
De antwoorden worden gegeven, maar niet begrepen.
Uit pure wanhoop springt hij in het water,
maar de spiegel ervan breekt, nog voor hij zijn gezicht kan raken.
Alleen blijft hij over,
koud,
wachtend op gladder water.
Welvaart
Geschreeuw klinkt al om,
met zijn miljoenen staan we op de dijk,
we schreeuwen tegen de wind,
hoe harder de wind, hoe hoger de golven.
Soms overstemt het ons geschreeuw,
tegen beter weten in blijven we schreeuwen.
De regen en golven hebben ons doorweekt,
ons,
er is geen ons,
We zijn alleen en schreeuwen.
Mensen streven om me heen,
van de kou,
van uitputting,
van verveling.
Plotseling is de man naast me stil,
zijn gezicht maakt een zuigende indruk,
in een flits schiet het door me heen,
Fisherman’s Friend.
Welvaart 2
(A)“Heeft het gesmaakt, meneer?”
(B)”ja, heerlijk , alleen een beetje weinig, normaal hou ik veel meer over.”