Been
Zwijgend
kijkt ze over de inmiddels vertrouwde omgeving, drie maal per week ’s
morgens rond half acht rijdt ze hier.
De lange wintermaanden zijn gelukkig voorbij, de zonsopgangen die ze de
laatste week heeft gezien terwijl ze zonder met elkaar te praten over de
A12 richting Utrecht zoefden waren adembenemend.
Ze praten weinig meer, het heeft geen zin, er is iets dood.
Vroeger,
vroeger praatten ze veel, over de zaak, over geld, over stoppen met werken
en een eigen hotelletje in Zuid-Frankrijk.
De droom was uit
Hij
zorgde goed voor haar, had hij altijd gedaan, geld was nooit een probleem
geweest.
Ze
hadden een goed leven samen, het ontbrak hen aan niets, toen zij na
maanden weer thuis kwam was het hele huis verbouwd.
Prachtige brede deuren, een mooie luxe badkamer op de begane grond en aan
de tuinkant had hij een stuk aan laten bouwen waar de slaapkamer nu was.
Met een elektrisch bediend bed van twee bij twee, en een glazen wand die
uitkijkt op de tuin. Het
heeft waarschijnlijk een vermogen gekost maar ze heeft hem er niet naar
gevraagd. Hij
had haar vraag toch wegwuift met dat nonchalante handgebaar dat hij altijd
gebruikt als ze hem naar de financiën vraagt. Tegenover
klanten en leveranciers is hij keihard en onderhandelt hij over elke
gulden, maar privé betaalt hij graag te veel, als hij maar precies dàt
krijgt waar hij zijn zinnen op heeft gezet.
Ze
kent hem door en door, dertien jaar geleden zijn ze getrouwd, zij
vijfentwintig, hij net dertig. Hij
was een goede vangst zeiden haar vriendinnen toen, hoe
goed wist alleen zij.Het
was puur bouquet-reeks, ze was zijn secretaresse, hij was rijk en prachtig,
met nét die onverschillige nonchalance die vrouwen nieuwsgierig maakt.
Tijdens
het sollicitatiegesprek was haar hart als een gek tekeer gegaan. Zweethandjes, koude voeten,
droge mond, het hele repertoire had ze afgewerkt. Niet
omdat hij haar scherpe vragen had gesteld over haar C.V., maar vanwege hém,
hij had bij de eerste blik iets in haar losgemaakt dat ze niet kende, iets
dat haar totaal en volslagen machteloos maakte, lust, pure lust. Toen hij na een klein half
uur zei dat ze was aangenomen
suisden haar oren zó dat ze hem amper verstond.
Maar hij was haar baas, haar motto was altijd “never put your pen in the company’s ink” En ze had zich er aan gehouden. Ze had zich kuis gekleed, was hem met “meneer” aan blijven spreken, kortom ze had er alles aan gedaan om het vuur te doven. Maar het was een veenbrand, telkens stak het weer de kop op. De enige manier om het tot bedaren te brengen was de hand aan zichzelf te slaan. Eerst ’s avonds thuis in bad, of midden in de nacht als ze wakker schrok uit een wilde droom waarin telkens weer hij de hoofdrol speelde.
Maar het bracht maar kort soelaas, het broeide en broeide, het dreef haar naar de rand, vaker en vaker zocht haar hand haar schoot, op het toilet, in de lunchpauze in het park. Ze werd onvoorzichtig, zelfs op stille momenten achter haar bureau kon ze zich niet meer bedwingen, hij dreef haar tot razernij en hij wist het niet eens !!
Toch was hij het die haar spiraalvlucht doorbrak. Op een werkelijk bloedhete zomerdag in juli kon zelfs de airco het niet meer bolwerken en de temperatuur op kantoor liep langzaam maar vastberaden tot dertig graden op. Daartegen was haar geveinsde kuisheid geen partij en ze kon niet anders dan haar blouse open knopen tot zo laag als haar kanten beugel-bh toeliet. Ze deed haar klamme dijen uiteen zover als met haar kokerrok mogelijk was, alles om wat verkoeling te krijgen.
Het hielp niet, ze stond op en staande naast haar bureau stroopte ze haar rok tot haar middel op, haar panty móest uit. Toen ze net weer haar pumps aan deed, haar verfrommelde panty nog in de hand, kwam hij binnen. Ze schrok zó dat ze zich verstapte bij het aandoen van de tweede pump, ze verzwikte haar enkel en viel op haar kont, de rok nog steeds op haar heupen. Een steek ging door haar enkel en ze kon een vloek niet onderdrukken.
“Zo ken ik jou helemaal niet” zei hij en hurkte voor haar neer. Voorzichtig pakte hij haar enkel en tilde die op. Ineens realiseerde zij zich dat ze half in haar blote kont met gespreide benen op de grond zat en ze probeerde op te krabbelen. “Blijf zitten “ zei hij resoluut en legde haar kuit op z’n knie “eerst kijken of alles in orde is” Zacht en voorzichtig tastte hij haar enkel af, “niks gebroken” was zijn diagnose. Ze zag zijn blik afdwalen langs haar been omhoog. Doordat hij nog steeds haar been op zijn knie hield moest ze zich met haar handen ondersteunen om niet achterover te kukelen en hij had zo een onbelemmerd uitzicht op haar donkerblauwe kanten string.
Ze
schaamde zich kapot, veel scenario’s had ze al bedacht, op alle
mogelijke manieren waren ze al in elkaars armen gevallen in haar koortsige
dromen, maar dit ?, nee!
Geoefend deed hij ook haar ander pump uit en hielp haar overeind. Toen ze probeerde of haar enkel haar gewicht kon dragen schoot er een vlammende pijn doorheen, ze wankelde en zocht steun aan haar bureau. Ze ging op de rand zitten en legde haar been over de knie van haar andere been en wreef over haar enkel. “Misschien is het toch beter even een foto te laten maken, kom, ik breng je wel naar de eerste hulp, het is toch te warm om zaken te doen.” Hij nam haar hand en legde haar arm om zijn nek, met de andere arm omsloot hij haar middel en voor ze kon tegensputteren hinkte ze met hem over de gang. “Even naar de eerste hulp” zei hij over zijn schouder tegen de receptioniste.
In het ziekenhuis viel het allemaal mee, ze had haar enkel flink verstuikt maar na een uurtje kon ze er al weer wat op steunen. In de gipskamer legde een verpleger met vaardige hand een tape-verband en met het advies om voorlopig twee weken alleen platte schoenen te dragen mocht ze naar huis.
“We
gaan een ijsje halen voor de schrik” zei hij, weer nam hij haar in de
houdgreep en zo hinkte ze naar de auto. Nu
ze was bekomen van de schrik genoot ze van zijn sterke arm om haar taille,
hij brandde door haar blouse heen. Later
in de auto, toen ze met de airco voluit weer richting de binnenstad reden,
nam ze de kraag van haar blouse en wapperde zo wat koelte tussen de witte
stof en haar gloeiende huid. Wat
ze zich niet realiseerde was dat hij zo een prima uitzicht had op haar
borsten, hij kon zijn ogen er dan ook niet vanaf houden. “Ze
zijn prachtig” zei hij, ze schrok toen ze begreep waar hij het over had. “Ja hè” was het enige
dat ze uit kon brengen, ze kon zich wel voor de kop slaan !
Plots draaide hij zijn auto een parkeerplaats op, toen hij stil stond draaide hij zich naar haar toe, nam haar gezicht in beide handen en zoende haar vol op de mond. Ze was te verbouwereerd om tegen te sputteren. Ze wilde net zijn kus beantwoorden maar hij liet haar los en scheurde weg, de versnelling drukte haar in de leren bekleding.
De koelte van de airco deed haar goed en de pijn in haar enkel zakte weg. Daar was de ijssalon al, “citroen met banaan” zei ze toen hij vroeg wat ze lekker vond. Terwijl hij in de lange rij voor de ijssalon ging staan bekeek ze hem van top tot teen en wat ze zag beviel haar. Z’n overhemd plakte tegen zijn rug en ze zag de spieren er doorheen schemeren. Hij was krachtig zonder overdreven sportschoolspieren, meer de rug en schouders die een wedstrijdroeier heeft. Langzaam en ongemerkt zakte ze weg in een dagdroom, haar fantasie ging weer eens met haar aan de haal.
“Citroen
banaan mevrouw”, ze schrok wakker en begon acuut te blozen. “Een stuiver voor je
gedachten” zei hij terwijl hij het ijsje door het raampje aangaf. “Dank je” Hij richtte zich weer op en
ze keek hem recht in het kruis. De
neiging om een hand uit te steken en hem aan z’n broeksband naar zich
toe te trekken was bijna sterker dan haar wil, vlug probeerde zij zich op
haar ijshoorntje te concentreren.
Van
werken kwam die dag niets meer, hij bracht haar naar huis en was blijven
hangen, wat drinken op haar dakterras. Toen
hij haar de smalle trap op hielp had hij dicht achter haar lopend met
beide handen haar heupen gegrepen om haar zo omhoog te helpen. “Nu, hier, op de trap”
was haar enige gedachte geweest, maar ze had niet toegegeven.
Bij
de eerste Margarita hadden ze elkaar in telegramstijl hun leven verteld,
bij de tweede hadden ze veel gelachen en halverwege de derde was hij over
haar heen komen staan met op elke armleuning een hand. Verschrikkelijk
gezoend hadden ze en uiteindelijk had hij haar naar haar bed gedragen en
haar tergend langzaam van haar kleren ontdaan.
Ze
had haar nagels in zijn rug geplant. Hem
in een beenklem genomen om hem in zich te houden. Ze
had haar hoofd in de kussens begraven terwijl hij haar heupen vastklemde
in zijn sterke handen. Als
een wild dier had ze gegromd toen ze onder zijn heen en weer flitsende
tong bijna het bewustzijn verloor.
En
zo was het allemaal begonnen dertien jaar terug.
Ze
rijden de A12 af de stad in, de zonsopgang word door de troosteloze flats
van de wijk Kanaleneiland van haar netvlies gewist, ze voelt zich
verdrietig, verveloos als de grijze flats. Het
zijn slechte dagen, de maandag, de woensdag en de vrijdag. Dagen
van strijd en pijn, dagen van grenzen en van confrontaties, vooral met
zichzelf.
Schuld
was er niet, niet iemand om te vervloeken, het was een loterij geweest,
het ongeluk.
Die
avond, nu al bijna een half jaar geleden waren ze op weg naar haar ouders,
ze waren beide opgewekt, niet moe, het was een rustige zaterdag geweest. Plots was er een vreemd
geluid aan de auto, het volgende moment hadden lucht en horizon krijgertje
gespeeld en was het licht uitgegaan.
Fel licht was er geweest en stemmen die haar riepen, het waren de verpleegsters van de intensive care die haar uit de narcose probeerden te wekken. Met hem was alles goed hadden ze gezegd en ’s avonds had ze hem gezien, een enorm verband om z’n hoofd. “Geluk gehad” , geluk gehad zeiden ze nog; de familie en vrienden die langs kwamen in de dagen en weken die volgden. Foto’s hadden ze gezien van het wrak. Ze hadden makkelijk praten.
Natuurlijk
kon alles altijd erger, àlles, maar de laatste maanden waren een hel
geweest, niet vanwege de pijn, die was te verdragen geweest. Het ergste was de stilte,
het zwijgen tussen hun tweeën, en het aanraken, het even terloops
aanraken, dàt was weg. Ze
kijkt naar hem terwijl hij zwijgend de auto door het verkeer manouvreert. Ook nu nog op z’n
drieenveertigste is hij een mooie man, misschien wel mooier nog nu er meer
leven in z’n huid is gekomen, kraaiepootjes. En
het litteken boven zijn wenkbrauw, het maakt hem misschien nóg wel
aantrekkelijker. Het
litteken was alles dat hij aan het ongeluk had overgehouden, en het stond
hem nog goed ook verdomme !
Zij
had de hoofdprijs, ze hoorde toen ze bijkwam uit de narcose dat ze haar
rechterbeen hadden moeten afzetten. Of
het de morfine was, ze wist het niet, maar het duurde nog dagen voor ze
besefte wat haar was aangedaan.
Een
been afgezet !!
Halverwege
haar dij, de dijen waarlangs ze zo vaak zijn tastende vingers had gevoeld,
halverwege die dij hield het op. Haar
been hield gewoon op, geen gruwelijk litteken, maar een mooie gladde ronde
stomp, de doktoren waren zeer tevreden geweest. Zij
was niet tevreden, ze haatte die stomp, of nee, niet de stomp zelf of het
gemis van haar been, maar de gevolgen, de stilte die de stomp had
veroorzaakt.
Na
vele gesprekken met therapeuten en lotgenoten had ze geaccepteerd dat
ze zonder haar been verder moest en kon. Maar
hij kon er niet mee leven, hij kon zich er niet meer toe zetten haar aan
te raken, zij was een been kwijt maar hij zijn hele vrouw. Een
vluchtige zoen op haar wang bij afscheid of thuiskomst, dat was het.
Zijn
handen, die elk plekje op haar lichaam kenden, waren van haar vervreemd,
sinds die onzalige zaterdag heeft hij haar niet meer aangeraakt.
Vandaag
brengt hij haar voor de zoveelste keer naar de Hoogstraat, trouw en zonder
een onvertogen woord, hij gaat daarna door naar de zaak, zij komt dan ’s
middags thuis met een taxi. Fysio,
drie keer in de week, krukken uit de auto, optrekken aan de dakrand, zoen
op de wang “dag schat, tot vanavond” en weg is hij.
Binnen
groet ze de bekende gezichten, de veleinmiddels vrienden die minder
‘geluk’ hebben gehad, de dwarslaesies. In
de koffiekamer aangekomen zoekt ze een plek bij het raam, “Hoi Tinie”
roept ze de bardame toe. Tinie
komt direct naar haar toe met een grote mok koffie. Samenzweerderig
buigt Tinie zich over haar tafeltje en zegt zachtjes; “Heb
je die nieuwe fysiotherapeut al gezien,..nee?, Oooh die zou ik zó op de
koffie vragen !” het
liet haar koud, haar fysiotherapeute was een kenau, maar ze moest toegeven
dat die haar wel door een aantal diepe dalen had gesleurd waar ze zelf zo
één twee drie niet uit was gekomen.
Na
de koffie met (bestaan ze nog ) de onverwoestbare Spritsen van Tinie hijst
ze zich weer in de krukken en gaat richting de oefenzaal. De
zaal is verlaten, ze ziet haar spiegelbeeld in de spiegelwand. Haar uiterlijk heeft niet
veel geleden, achtendertig, ze ziet er goed uit, waar de vele zware
fysio-ochtenden ook aan meegeholpen hebben. Ze
is wat breder in de schouders geworden, maar daar vond ze zichzelf vroeger
altijd wat te smal, en haar borstspieren hadden
zich door het lopen op krukken flink ontwikkeld, waardoor een lift
absoluut overbodig geworden is, ze was zelfs bijna een cupmaat gegroeid! Bovendien stonden ze fier
vooruit te prammen als bij een jonge meid. En
vet?, geen grammetje meer, als ze al wat kussentjes had gehad dan waren
die onder de bezielende leiding van Kenau Simons totaal verdwenen!
“We
hebben het rijk alleen vandaag” zegt een onbekende stem achter haar
“de griep heeft weer slachtoffers gemaakt” Via
de spiegelwand ziet ze hem in de deuropening staan. “Ik
neem de klantjes van vandaag voor mijn rekening, gelukkig hebben er een
paar afgebeld met griep, en met wat schuiven in het schema lukt het
allemaal net” Ze
schat hem op een jaar of vijfendertig, een gezonde sportjongen,
wintersportbruin, meer een snowboarder in z’n versleten joggingpak dan
een skiër denkt ze. De
mouwen van z’n sweatshirt heeft hij afgeknipt waardoor zijn gebruinde
biceps mooi uitkomen. Echt
zo’n tienerdroom, nét even te nonchalant gekleed, nét iets te bruin,
stoertje!
“Hoi,
Johan” zegt hij terwijl hij met uitgestoken hand op haar af komt. “Lisette” antwoord ze ,haar
linker hand uitstekend met de kruk bungelend aan haar elleboog. “Je zult het met mij
moeten doen” zegt hij met een brede lach om zijn mond. Als
ze ergens niet voor in de stemming is dan is het wel dit soort
opgewektheid. Wanneer
ze niet meteen antwoord kijkt hij haar recht aan, zijn groene ogen hebben
iets vriendelijks, “Dipje?” vraagt hij. Ze
haalt één schouder op en trekt een onverschillig gezicht. “Kom
we gaan eerst even zitten” en hij loopt voor haar uit en gaat op de rand
van de dikke atletiekmat zitten, hij gebaart dat ze naast hem moet komen
zitten.
Als
ze naast hem zit begint hij over haar dossier, hij heeft het even snel
doorgenomen en gezien dat ze qua trainingsresultaten goed opschiet, maar
dat ze nog steeds geen prothese verdraagt aan haar stomp. “Ik
had je eigenlijk allang met een prothese verwacht gezien de verstreken
maanden hier, wat is het probleem?”
In
elk geval nam hij z’n werk serieus, dacht ze, hij had in elk geval de
moeite genomen haar medische gegevens van te voren door te lezen, het viel
haar mee, dat had ze gezien zijn uiterlijk niet verwacht.
“Ik heb van de week een groepsvergadering gehad met de andere therapeuten en we hebben besloten dat ik wat klantjes zou overnemen om de werkdruk te verlichten, dus als je geen bezwaar hebt, ben ik in het vervolg je vaste fysiotherapeut” “We zullen zien” zei ze.
“Wat
is nou het probleem met de prothese?” drong hij aan. “Het
doet pijn en na een paar uur gaat mijn huid stuk” “Aha”
zei hij “en is het wel iets beter geworden de laatste tijd, of schiet
het helemaal niet op?” “Een
beetje, maar niet om enthousiast over te worden” “Mag
ik even kijken?” vroeg hij terwijl hij op zijn hurken voor haar ging
zitten.
Met twee handen pakte hij voorzichtig haar rechter dij, of wat daar nog van over was. “Hoge protheses zijn altijd wat lastiger dan ónder de knie, omdat de huid, vooral aan de binnenkant van je dijbeen, veel dunner en gevoeliger is”. Ja, dat wist ze maar àl te goed; vroeger was een hand, een lichte aanraking maar, aan de binnenkant van haar dij al voldoende om haar een rilling van genot over haar hele rug te bezorgen. Als ze érgens gevoelig was, dan was het daar.